De discussie over de nieuwe eindtermen voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs deed de afgelopen maanden regelmatig stof opwaaien. Samen met de structuurhervorming zorgen die eindtermen voor grote veranderingen en dus onrust. Katholiek Onderwijs Vlaanderen en de Federatie Steinerscholen verzetten zich tegen de nieuwe eindtermen. Zij hebben bij het Grondwettelijk Hof de schorsing ervan gevraagd en in augustus pas zullen we de uitkomst van dat juridisch steekspel kennen. Dat brengt ons in een ongemakkelijke situatie. De structuurhervorming gaat volgend schooljaar onveranderd door in het derde jaar, maar we weten dus pas in augustus met welke eindtermen dat zal zijn. Daarbovenop moeten we het hoofd bieden aan de leerachterstand die sommige leerlingen opliepen door de coronamaatregelen.

Het doel van heel de onderwijshervorming en de bijhorende nieuwe eindtermenset is de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Uit peilingen allerhande blijkt immers dat steeds minder van onze leerlingen de internationaal verwachte minimumnormen voor taal, wiskunde en wetenschappen behalen, ook al hadden de koepels tot nu wél de autonomie die ze met de nieuwe eindtermen volgens sommigen moeten opgeven. Dat de eindtermen ambitieuzer worden ingevuld dan ze tot nog toe waren om de dalende trend om te buigen, lijkt mij logisch.

Anderzijds zijn eindtermen maar één facet van onderwijskwaliteit. Het zal uiteindelijk ook (en misschien zelfs vooral?) van de leraren afhangen of de beoogde kwaliteitsverhoging er komt. Wij zullen daar zélf voor moeten zorgen en ik geloof dat wij dat kunnen. Ik ben het eens met collega Johan De Donder wanneer die in een opiniestuk in De Standaard (13/02/2021) schrijft dat de discussies over de eindtermen voor een groot stuk gaan over de vrijheid van de koepels en hun speelruimte voor het vastleggen van de vakinhouden. Veel minder gaat het over de vrijheid van de leraar. Leraren krijgen hoe dan ook opgelegd welke vakinhouden ze moeten geven, hetzij door de koepels, met leerplannen waarin de eindtermen vervat zitten, hetzij door de overheid, via de eindtermen. De overheid legt ons echter niet op hoe we die inhouden in de les moeten behandelen. Wij kunnen zélf kiezen voor goed onderwijs voor iedereen, gebaseerd op onze praktijkervaring en met wetenschappelijke back-up. Laat ons doen waar we voor opgeleid zijn: onderwijzen (wat een heerlijk woord toch)! Er zijn wetenschappelijke aanwijzingen over de manier waarop wij leerlingen beter kunnen laten leren. En die aanwijzingen convergeren: er lijkt onder wetenschappers overeenstemming te zijn over de belangrijkste recepten en technieken voor effectief en efficiënt onderwijs.

De onderwijsonderzoeker Tim Surma vatte deze recepten onlangs op Twitter (24/01/2021) heel handig samen. Ik citeer hem hier bijna letterlijk.

  • Heb hoge verwachtingen voor iedereen. Leg de lat niet lager om één of andere reden die de leerling zelf niet kan verhelpen (afkomst, thuistaal…). Geloof in iedereen.
  • Het zou een open deur moeten zijn: geef les, leg uit, demonstreer, leef voor, modelleer.
  • Zorg ervoor dat leerlingen te weten komen hoe de dingen beter kunnen in de toekomst. Zet hen door je feedback aan het denken.
  • Gebruik de info die je uit toetsing krijgt om te weten waaraan je moet werken.
  • Laat toetsing integraal deel uitmaken van het leerproces. Geen `end-of-chapter’-toetsing alleen dus.
  • Maximaliseer lestijd door op een warme, vriendelijke, duidelijke en consistente manier de klas te managen. Elke les vijf minuten verliezen, maakt voor een vijfuursvak op jaarbasis een kleine drie lesweken verschil!
  • Heb aandacht voor welbevinden, nog zo’n (terechte) open deur, maar verlies daarbij het leren niet uit het oog. Welbevinden en leren zijn geen communicerende vaten: meer van het één betekent niet minder van het ander en omgekeerd. Meer zelfs, door goed les te geven, kan het welbevinden de hoogte in!
  • Heb aandacht voor samenwerking in het lerarenberoep. Je wordt niet geboren als expertleraar, maar je kunt wel uitgroeien tot expert door oefening, samenwerking, bijscholing, Uitwiskeling lezen en steun van directie.

Niet wanhopen dus, we weten wat te doen!

Als we bovendien willen dat wij als wiskundeleraren een stem hebben in het verhaal van de onderwijskwaliteit, dan moeten we van ons laten horen. Er zijn verschillende manieren waarop dat kan. Word bijvoorbeeld lid van de Vlaamse Vereniging voor Wiskundeleraars of engageer je in zo’n vereniging, engageer je voor projecten van het Platform Wiskunde Vlaanderen, neem deel aan het maatschappelijk debat over de onderwijskwaliteit… Of stuur simpelweg een bijdrage naar Uitwiskeling waarin je een interessante lesactiviteit beschrijft, een mooi bewijs uitlegt of een goede oefening bespreekt. De kwaliteit van het onderwijs zal er alleen maar op vooruit gaan wanneer wij elkaar inspireren!

Els Vanlommel, namens de redactie

Bronnen

Deel dit artikel

Ik ben Els Vanlommel, geboren in 1974, en leerkracht in het Heilig Hart van Maria, Berlaar. Ik geef daar wiskunde in het vierde, vijfde en zesde jaar en ook een middaguurtje met extra uitdaging voor enthousiastelingen van het tweede jaar. Bovendien werk ik mee aan de optie-uren STEM in mijn school. Daarnaast zit ik in de werkgroep wiskunde van CNO en ben ik lid van de wedstrijdjury van de Vlaamse Wiskunde Olympiade.

Deel reactie